Beton wordt gevormd door het mengen van cement, grof en fijn granulaat en water, met of zonder de toevoeging van hulpstoffen en toevoegsels, en dat zijn eigenschappen ontwikkeld door de hydratatie van cement.
Geprefabriceerde betonproducten worden vervaardigd in een fabriek en vervolgens als verhard product toegepast op de bouwplaats.


Relevante Normen

  • NBN EN 206:2013 – Beton – Specificatie, eigenschappen, vervaardiging en conformiteit
  • NBN B15-001:2018 – Beton – Specificatie, eigenschappen, vervaardiging en conformiteit – Nationale aanvulling bij NBN EN 206
  • NBN EN 13369:2018 – Algemene bepalingen voor geprefabriceerde betonproducten
  • NBN B21-600:2009 – Algemene bepalingen voor geprefabriceerde betonproducten – Nationale aanvulling bij NBN EN 13369:2004+A1:2006+AC:2006
  • NBN EN 12620:2013 – Toeslagmateriaal voor beton
  • NBN EN 13055-1:2016 – Lichte granulaten

Daarnaast bestaat er ook een hele reeks van Europese en Belgische normen voor specifieke betonproductsoorten, zoals dakpannen, straatstenen, metselstenen, boordstenen, toegangsputten, funderingspalen, lijnvormige dragende bouwdelen, …

Andere relevante documenten

  • ATR 21-600:2008 – Algemeen toepassingsreglement – Geprefabriceerde betonproducten, vervaardigd op basis van NBN EN 13369 en NBN B 21-600 – Probeton
  • PTV 406:2016 – Classificatie van gerecycleerde granulaten
  • PTV 411:2013 – Codificatie van de granulaten

Daarnaast bestaan er ook een aantal toepassingsreglementen voor specifieke betonproductsoorten.

Eisen aangaande de grondstoffen

NBN EN 206:2013 en NBN B15-001:2018

In eerste instantie gelden de eisen van de algemene normen voor beton ook voor betonproducten – tenzij hiervan expliciet wordt afgeweken. Hiervoor wordt verwezen naar de fiche ‘Stortklaar beton voor gebouwen’. Dit geldt voornamelijk voor de zogenaamde ‘structuurelementen’ (wanden, vloeren, kolommen, balken, …). Voor de andere prefab-producten (straatstenen, buizen, metselblokken, …) zijn de eisen naar samenstelling minder ‘genormeerd’, uiteraard op voorwaarde dat de producten de vooropgestelde prestaties bereiken.

NBN EN 13369:2018 § 4.1.2.2

Gebroken gerecupereerde granulaten en gerecycleerde grove granulaten die in beton gemengd worden met andere granulaten, mogen het bindings- en verhardingsproces van het beton, alsook de duurzaamheid van het geprefabriceerd betonproduct in zijn definitieve gebruiksomstandigheden niet nadelig beïnvloeden.

Deze algemene bepaling van de norm wordt echter verder niet concreet ingevuld met proefprogramma, eisen, enz.

ATR 21-600:2008 – artikel C.3.1.2 Gebruik van grondstoffen voor beton

Gerecycleerde betongranulaten

Specifieke eisen voor betongranulaten van de eigen productie:

  • Vrij van betonvreemde verontreinigingen.
  • Voldoen aan de korrelverdelingseisen die de fabrikant vraagt.
  • Enkel betongranulaten, afkomstig van beton, dat aan de gestelde eisen i.v.m. de aard van het cement voldoet.
  • De vorstbestandheid moet nagegaan worden, zelfs indien de granulaten afkomstig zijn van beton vervaardigd met vorstbestendige granulaten.

Specifieke eisen voor betongranulaten van externe herkomst:

  • Voldoen aan PTV 406.
  • Gehalte in inert skelet (dit is het totaal aan zand & granulaten, exclusief het cement): ≤5 % in massa of ≤ 10% in massa, indien betongranulaat afkomstig is van zuiver betonpuin en indien de mechanische sterkte van het product door beproeving wordt nagegaan.

Milieuhygiëne

Uiteraard moet er steeds voldaan worden aan de voorwaarden van het VLAREMA (voornamelijk in verband met uitloging) en, indien van toepassing, de voorwaarden (in verband met de receptuur en het toepassingsdomein) van de grondstofverklaring.

Grondstoffen

Eisen aangaande de toepassing

NBN EN 13369:2018 § 4.1.2.2

Deze norm wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de structuurelementen en aangevuld met nationale bijlagen per product. Voor de andere types elementen (stenen, buizen, blokken, …) zijn er minder eisen.

Gebroken gerecupereerde granulaten, afkomstig van geprefabriceerde producten uit dezelfde fabriek, mogen worden gebruikt tot 10%m van de totale hoeveelheid van granulaten in het betonmengsel, zonder verder testen van de mechanische sterkte van het uitgeharde product of andere eigenschappen van het verharde beton, op de druksterkte na. Voor meer informatie wordt naar de informatieve bijlage Q van de norm verwezen.

Ook voor gerecycleerde grove granulaten (van externe herkomst) wordt naar bijlage N verwezen.

De norm voorziet tevens al in een aanpassing van de algemene betonnorm, intussen EN 206:2013 geworden, en stelt dat de bepalingen daarin ook voor geprefabriceerde producen in aanmerking genomen kunnen worden.

De Bijlage N is niet verplichtend over te nemen in de nationale normen, maar kan wel als richtinggevend worden beschouwd:

  • In het algemeen mag tot 5%m gebroken gerecupereerd of gerecycleerd grof granulaat worden gebruikt, zonder verificatie van eigenschappen andere dan de betondruksterkte.
  • Voor gerecycleerde granulaten van interne herkomst, dus van eigen productie, genaamd ‘gebroken gerecupereerde granulaten’ geldt:
    • In het algemeen: 10%m van de gebruikte granulaten, zonder verdere testen, behalve de druksterkte.
    • Tot 20%, indien:
      • De mechanische sterkte van het product wordt bepaald door berekening en alle relevante mechanische eigenschappen voor de berekening worden beproefd via proeven
      • Of indien de mechanische sterkte van het betonproduct wordt bepaald via full scale testing
    • Er kan een hoger vervangingspercentage worden toegepast, indien alle eigenschappen, nodig voor een correcte berekening, worden bepaald via beproeving.
    • Het granulaat mag enkel worden toegepast, indien het afkomstig is van een beton, dat minstens dezelfde duurzaamheidsweerstand heeft als het beton, waarvoor het bestemd is. Dit geldt niet voor beton in blootstellingsklassen X0, XC1 en XC2.
  • Voor gerecycleerde granulaten van externe bron:
    • Indien zuiver beton en indien de herkomst en betonkenmerken (samenstelling) bekend zijn, mag hetzelfde als voor granulaten van interne herkomst.
    • Indien hieraan niet voldaan is, wordt geëist dat minstens 90% van de samenstelling beton is (RC90 volgens NBN EN 12620, beproefd volgens NBN EN 933-11) en wordt slechts de helft van de vervangingspercentages voor granulaten van interne herkomst toegestaan.

ATR 21-600:2008 – artikel C.3.1.2 Gebruik van grondstoffen voor beton

Specifieke eisen voor betongranulaten van de eigen productie:

  • Gehalte in inert skelet: ≤20% in massa (bij mechanische sterkte uitsluitend bepaald door beproeving) of ≤10% in massa (bij mechanische sterkte nagegaan door berekening).
  • De gegevens aangaande het chloridegehalte en alkaligehalte van het beton, waarvan de gerecycleerde granulaten afkomstig zijn, mogen aangewend worden om de betreffende gehalten van de betonsamenstelling met gerecycleerde granulaten te bepalen.
  • De vorstbestandheid moet nagegaan worden, zelfs indien de granulaten afkomstig zijn van beton vervaardigd met vorstbestendige granulaten.

Specifieke eisen voor betongranulaten van externe herkomst:

  • Gehalte in inert skelet: ≤5 % in massa of ≤ 10% in massa, indien betongranulaat afkomstig is van “zuiver” betonpuin (dit wordt echter niet strikt gecontroleerd) en indien de mechanische sterkte van het product door beproeving wordt nagegaan.
  • Betongranulaten van externe herkomst zijn enkel toegelaten voor beton in de omgevingsklassen E0, EI, EE1 en EE2.

 

Technische mogelijkheden

Bij betonproducten zijn het vooral de prestaties van het eindproduct die voldoende moeten zijn. Dit betekent dat gebruik van alternatieve grondstoffen in principe mogelijk is, mits de prestaties concreet worden aangetoond via beproeving.

Houd hierbij steeds rekening met de algemene opmerkingen rond gebruiksgeschiktheid en onderbouwing van de technische prestaties.

Net zoals voor stortklaar beton, zijn er dus mogelijkheden in verschillende richtingen:

  • Andere soorten gerecycleerde grondstoffen
    • Niet alleen betongranulaat kan worden gebruikt. Er zijn ook voorbeelden van het gebruik van menggranulaat, van brekerzand (de fijne fractie), slakken, bodemassen, enz.
    • Referenties: GreenAsh, WTCB-onderzoek, Gebruik van loodslakken in beton (Umicore), enz.
  • Hogere vervangingspercentages
    • Vervangingspercentages tot 100% zijn theoretisch mogelijk. Er dient echter goed te worden onderzocht wat de invloed is op de eigenschappen van het beton (sterkte, verwerkbaarheid, krimp, kruip, E-modulus, …). Eventueel moeten er bijkomende maatregelen worden genomen (bv. keuze voor iets lagere W/C om sterkteverlies te compenseren).
  • Omgeving – toepassingsgebied:
    • Er bestaat iets minder ervaring met toepassing in omgevingen waar dooizouten of zeewater aan te pas komen. Bij toepassing in gewone ‘buitenomgeving’ (XC4, XD1, XF1) zijn geen bijzondere problemen te verwachten bij beperkte vervangingspercentages (20-30%). Dit zal ook worden opgenomen in de volgende versie van de Europese betonnorm, EN 206.
    • Een aandachtspunt is het zwelgedrag van secundaire materialen in beton. Verschillende bestanddelen (magnesium, calcium, aluminium, …) kunnen voor zogenaamde ‘pop-outs’ zorgen.

Hierbij dienen uiteraard ook de praktische overwegingen (invloed op productieproces, opslag van granulaten, continuïteit van aanvoer, risico op contaminatie, …) mee in overweging genomen worden.

 

Praktijkvoorbeelden

  • RecyHouse (betonmetselstenen)
    • AVI-betonblokken
    • Blokken met metaalslakken (Betogrid granulaat op basis van gesinterde slakken)
    • Blokken met glas & Stinox (Betonstenen, bestaande uit 15% inoxslakken, 5% vermalen beeldschermglas en 30% silex)
    • Blokken met sintels (60% slakken uit elektriciteitscentrales)
    • Blokken met Stinox (Blokken, volledig bestaande uit inoxslakken)
  • Betonblokken – 80x80x80 of 160x80x80
  • RecyMblok (Betonmetselstenen op basis van gerecycleerde beton-, meng- en metselwerkgranulaten)
  • Slib-stenen in Centrum Duurzaam Bouwen, Heusden-Zolder
  • Heipalen in Nederland
  • Glas in beton – Verrazzo
  • Valoblock® van SITA-Valomac

Opmerkingen

  • Naast de eisen, die de normen opleggen aan de granulaten, zijn er ook andere eigenschappen relevant voor gebruik in bepaalde betonsoorten:
    • Chloridegehalte voor gebruik in gewapend beton
    • Korrelverdeling
    • Continuïteit en variabiliteit van de granulaateigenschappen in de tijd
    • Zuiverheid – geen verontreinigingen voor toepassingen in ‘zichtbeton’
    • Zwellingsgedrag, schadelijke bestanddelen, enz.
  •  Het feit dat een grondstof mag of kan gebruikt worden in beton betekent niet automatisch dat het beton hiermee gemaakt van goede kwaliteit is. Dit dient geval per geval te worden geverifieerd.

Praktijkvoorbeelden

Referenties

• Normen-Antennes, WTCB • Betonica • Probeton

Extra informatie

Versie : 31/01/2019

Opmerkingen of feedback, gebruik het contactformulier.